Tussen droom en daad: op weg naar een volwassen jeugdstelsel - Vierde Jaarrapportage Transitie Autoriteit Jeugd

Voorwoord

Uit vele onderzoeken blijkt dat de jeugd in Nederland tot de gelukkigste van de wereld behoort. Maar helaas geldt dat niet voor ieder individueel kind. Het belang van goede jeugdhulp kan daarom niet worden onderschat. Op 1 januari 2015 trad de Jeugdwet in werking. Het doel van de wet was en is ambitieus en verreikend: gemeenten werden verantwoordelijk voor passende jeugdhulp, zodat die zo vroeg mogelijk, rondom kind en gezin, en in verbinding met andere vormen van hulp en ondersteuning georganiseerd kan worden. En daarmee uitzicht biedt op een bevredigender volwassen leven van het betreffende kind.

We zijn nu drie jaar verder. Gemeenten hebben uit een gekort budget de opbouw van de toegang tot jeugdhulp georganiseerd en aan het opdrachtgeverschap invulling gegeven. Aanbieders pasten zich aan een veelvoud van opdrachtgevers aan met vaak eigen, van elkaar afwijkende contractvoorwaarden en verantwoordingssystemen waarbij hun vaak geringe financiële buffers onder grote druk stonden. Voor alle betrokkenen betekende de invoering van de Jeugdwet inregelen, aanpassen en overleven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de beoogde transformatie nog maar beperkt op gang is gekomen.

Desondanks bestond en bestaat breed draagvlak over de bedoelingen van de Jeugdwet. Er is heel veel werk verzet om de uitgangspunten van de wet te realiseren. De verwachting dat door het verstrekken van frictiekosten- en liquiditeitssteun - waarvoor de Transitie Autoriteit Jeugd in het leven werd geroepen – de overgang naar gemeentelijke jeugdhulp op zodanige wijze zou verlopen dat essentiële functies van jeugdhulp zouden blijven bestaan is bewaarheid. De ambitie dat binnen drie jaar de jeugdhulp én effectiever, én integraler én goedkoper zou worden, is echter nog amper gerealiseerd.

Tussen droom en daad staat niet de Jeugdwet als zodanig in de weg, maar wél de weerbarstige praktijk. Tijd dus om nuchter te kijken hoe de doelstellingen in de komende jaren kunnen worden bereikt en welke barrières daarbij in de weg staan. Om deze vervolgens stap voor stap te slechten. Dat betekent allereerst dat contracterende gemeenten, aanbieders van jeugdhulp en professionals een gezamenlijk en scherp beeld ontwikkelen van wat zij verstaan onder passende jeugdhulp in specifieke situaties, zodat de discussie zich kan concentreren op de maatschappelijke opgave van jeugdhulp waarvan afspraken over inkoopvoorwaarden, contracten en afrekening een afgeleide zijn.

Daarbij is het belangrijk dat jongeren met complexe, blijvende beperkingen bij hun problematiek passende ondersteuning krijgen waarbij zo nodig gedurende het traject van hulpverlening al wordt voorgesorteerd op ondersteuning in het volwassen leven. Verder kan de jeugdhulp en jeugdbescherming aan waarde winnen wanneer de school een rol heeft in het vroegtijdig signaleren van de noodzaak hulp te geven aan kwetsbare kinderen. Daarmee wordt de jeugdhulp effectiever en het onderwijs ontlast.

Tot slot is er een gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen het jeugdhulpstelsel overeind te houden, ook waar het gaat om voorzieningen “verder van huis”. Sommige vormen van jeugdhulp zijn door hun specialistische karakter, al dan niet in combinatie met intramurale voorzieningen, nu eenmaal alleen bovenregionaal te organiseren. Dat vergt afstemming op diezelfde schaal. Het helpt wanneer het Rijk samen met de VNG hierop een duidelijke visie formuleert.

Dat alles vergt daadkracht, realiteitszin en een lange adem. Transformeren is niet voor bange bestuurders en professionals. Het streven om ook kwetsbare kinderen een betere toekomst te geven, maakt echter alles de moeite waard.

Drs. Marjanne Sint,
Voorzitter Transitie Autoriteit Jeugd

Bijlagen